Home Blogs Acco Learn Hoger onderwijs Psychologie van de levensloop: het menselijk brein van de wieg tot het graf

Psychologie van de levensloop: het menselijk brein van de wieg tot het graf

Wat ervaart een kind wanneer het pas geboren is? Waarom kunnen wij ons niets meer herinneren uit onze eerste levensjaren? Is het verstandig om een kind tegelijk verschillende talen aan te leren? Wat kan je ondernemen tegen pestgedrag? Wat maakt het brein van een puber zo bijzonder? Waarin verschilt de jongvolwassenheid van het ‘échte’ volwassen leven? Bestaat er zoiets als een mannelijke menopauze? En staat ouder worden gelijk aan achteruitgaan, of kent de ouderdom ook specifieke krachten?

Vader-dochterduo Pol en Miet Craeynest behandelen in de nieuwste editie van het boek Psychologie van de levensloop hoe een mens evolueert van de wieg tot het graf. Ze houden in deze editie rekening met de nieuwe veranderingen van de afgelopen zeven jaar op maatschappelijk en wetenschappelijk vlak binnen de ontwikkelingspsychologie.

Het boek Psychologie van de levensloop wordt in veel opleidingen in Vlaanderen en Nederland gebruikt en heeft na zeven jaar een update gekregen. Wat was jullie aanzet om deze herwerking te introduceren?

Pol: Net zoals er in het leven van een kind in zeven jaar tijd ontzettend veel gebeurt, is er in de afgelopen zeven jaar ook heel wat veranderd in de context waarbinnen kinderen opgroeien. Denk bijvoorbeeld aan het schermgebruik van kinderen, jongeren én ouders, of het inzicht in de werking van het brein van jonge kinderen en pubers. Dat zijn veranderingen die we absoluut in de nieuwe editie wilden verwerken. We willen de studenten namelijk alle relevante informatie bijbrengen.

Miet: Daarnaast merk ik als docent ook dat de manier waarop wij lesgeven en hoe studenten studeren, ook wel wat veranderd is: kennis wordt liever meer gebald, maar ook interactiever aangebracht. Op basis van dat alles, het inhoudelijke én het vormelijke, voelden we de noodzaak om het boek aan een heel grondige metamorfose te onderwerpen.

Het boek behandelt verschillende levensfases van mensen vanuit een psychologisch oogpunt. Welke levensfase was voor jullie persoonlijk de meest fascinerende om te onderzoeken?

Miet: Als ik echt één specifieke periode moet afbakenen, dan haal ik er toch de adolescentie uit. Zeker nu mijn drie kinderen zich met volle overgave in die periode bevinden (lacht).

Tussen de vele ups en downs door is het vaak zoeken, niet alleen voor mij als ouder maar ook voor hen, en in die zoektocht biedt het wel wat houvast als je weet dat bepaalde gedragingen en uitspraken er vaak gewoon bijhoren, zeker als je ook begrijpt hoe dat puberbrein zich op dat moment ontwikkelt.

Pol: Ik kan me daar ook wel in vinden, want de adolescentieperiode is inderdaad een heel boeiende tijd. Maar nu ik zelf wat ouder word, vind ik dat ook de latere levensfasen heel wat te bieden hebben. Terwijl men het vroeger meestal had over ‘de’ volwassenheid en ‘de’ ouderdom, kijkt men daar vandaag heel anders tegenaan. Er zit zoveel differentiatie in de manier waarop mensen die tijd beleven en gestalte geven.

“Het helpt om te weten hoe het puberbrein zich ontwikkelt op het moment dat je kinderen bepaalde gedragingen vertonen”

Hoe beslissen jullie welke onderwerpen jullie onderzoeken en beschrijven?

Pol: Uit gebruikersbevragingen bleek dat docenten en studenten het boek vooral apprecieerden door de duidelijke structuur en heldere taal enerzijds en de kwaliteitsvolle inhoud anderzijds. Net daarom hebben we de klassieke inhouden binnen de bestaande structuur behouden.

Tegelijk is het wel zo dat actuele maatschappelijke tendensen (zoals diversiteit, digitalisering en vergrijzing) en vernieuwde inzichten in de (vooral neuro)psychologie ertoe aanzetten om algemene thema’s te verfijnen of aan te vullen.

Om die verfijning en verdieping te kunnen aanbrengen zonder dat lezers er de rode draad door verliezen, hebben we ervoor gekozen om in elk hoofdstuk de basistekst te verrijken met een drietal kaderteksten. Dat biedt de lezer de mogelijkheid om dieper op die teksten in te zoomen.

Pesten, wat het inhoudt en hoe ermee kan worden omgegaan’ is bijvoorbeeld zo een van die kaderteksten geworden. Maar zo is er bijvoorbeeld ook in het hoofdstuk over de peuter een kadertekst bijgekomen over wat schermtijd met een peuterbrein doet, en verder ook hoe de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen verloopt in een

context van diversiteit, zowel etnisch-cultureel als hoe dat bij kinderen en jongeren met een beperking kan verlopen.

Wat zijn de grootste misververstanden die mensen vaak hebben over ontwikkelingspsychologie?

Miet: Psychologie boeit doorgaans heel wat mensen. Dat is op zich positief, want dat betekent dat mensen het interessant en zinvol vinden om het gedrag van zichzelf en anderen te begrijpen. Dat kan ons als mens alleen maar dichterbij elkaar brengen.

Tegelijk is het wel zo dat bepaalde inzichten soms nogal snel en slordig worden geïnterpreteerd. Eén voorbeeld van zo’n hardnekkige mythe is dat ons brein kan opgesplitst worden in een rationele linkerkant en een emotionele rechterkant. Of dat het uit drie aparte soorten breinen bestaat: een reptielenbrein, een zoogdierenbrein en een mensenbrein. Dat is natuurlijk helemaal niet zo. Er zijn wel bepaalde centra die meer of minder instaan voor bepaalde functies, maar ons brein is vooral een gigantisch netwerk waarin informatie razendsnel en over heel veel verschillende gebieden wordt doorgestuurd. En zo zijn er nog wel meer mythes, die dan vorm krijgen in allerlei mysterieuze therapieën.

Denk maar aan het idee dat mensen, vanuit een of ander ‘onbewuste’, bepaalde patronen aan hun kinderen zouden doorgeven die dan over generaties heen systematisch terugkeren. Vaak zitten er in dat soort theorieën wel elementen die binnen de wetenschappelijke psychologie ergens een plaatsje hebben in een veel complexere theorie, maar ze worden uit hun context getrokken en uitvergroot. In zo’n geval zijn waakzaamheid en kritisch denken toch steeds geboden.

Hoe denken jullie dat technologische vooruitgang en het snel veranderende sociale klimaat invloed uitoefenen op de cognitieve ontwikkeling van jongeren?

Pol: Dat is een complexe vraag die een uitgebreid antwoord nodig heeft. Daarom hebben we daar in Psychologie van de levensloop meerdere kaderteksten aan gewijd. Zo bekijken we wat schermen doen met een jong kinderbrein dat in volle ontwikkeling is. Er zijn namelijk heel wat positieve zaken aan apps en filmpjes, maar ouderlijke begeleiding is van cruciaal belang. Ouders moeten afwegen wat de kwaliteit is van tools, schermtijd afbakenen en ook samen filmpjes bekijken en erover in interactie gaan. Er zijn namelijk ook veel apps die door hun schreeuwerigheid en inhoudsloze invulling net schadelijk kunnen inwerken op een aantal belangrijke cognitieve functies. Niet in het minst op het leren focussen van de aandacht.

Miet: Maar ook in de adolescentie komen we op technologie terug, zoals wat de impact van sociale media kan zijn op het zelfbeeld van jongeren. En ook daar zien we enerzijds heel wat positieve zaken, zoals het delen van informatie en ervaringen, en de bevestiging die ze hiervoor kunnen krijgen, het taboedoorbrekende … Toch zijn er ook risico’s aan verbonden, zoals de constante druk die jongeren ervaren om er online bij te horen, de soms negatieve commentaren die dan heel snel worden gedeeld, het voortdurend met elkaar vergelijken en de onzekerheid die dat alles met zich meebrengt. En dan hebben we het nog niet gehad over wat de impact op de cognitieve functies zijn, zoals aandachtspanne en kritisch denken.

Gezien jullie persoonlijke band als vader en dochter, denken jullie dat deze familierelatie de manier waarop jullie het boek hebben geschreven heeft beïnvloed?

Miet: We hadden al een sterke vader-dochter-band door ons gemeenschappelijk verleden en door de personen die we (geworden) zijn. Maar door allebei psychologie te hebben gestudeerd, gedoceerd én beschreven, zijn we naast dichte familie natuurlijk ook heel hechte collega’s geworden. Bij het samenwerken aan boeken waar ook niet-familieleden aan meewerkten, was het voor mij soms wel wat zoeken. Bijvoorbeeld al in de manier waarop ik mijn vader dan tijdens een formele bijeenkomst het best kon aanspreken: ‘Pol’ vond ik dan nogal afstandelijk klinken, maar ‘vake’ kwam dan in zo’n context ook wel wat knullig over. Meestal omzeilde ik dan de kwestie door me gewoon tot ‘de auteurs’ samen te richten en concrete aansprekingen te vermijden (lacht).

“Naast dichte familie zijn we ook hechte collega’s geworden”

Pol: Het samenwerken met mensen die elkaar door en door kennen, heeft het voordeel dat de communicatie heel direct is, waardoor je sneller naar een hoger niveau kunt gaan. We kennen elkaars sterke kanten heel goed, en die kunnen we hiervoor maximaal inzetten. Bovenal durven we elkaar ook het vuur aan de schenen leggen, en deinzen we er ook niet voor terug om elkaar aan te moedigen en soms zelfs uit te dagen om, met het zicht op alweer een deadline, desnoods tot in de late uurtjes nog door te blijven werken (knipoogt).

Is er bijkomend nog iets dat jullie graag nog over het boek willen vertellen?

Miet: We kijken erg uit naar de komst van het boek. Zelf verlang ik bovendien naar het moment waarop ik het boek in mijn eigen lessen zal kunnen gebruiken. Een boek is toch ook wel een beetje zoals je eigen kind: je hebt het gemaakt, je verlangt dat het er is en je bent heel benieuwd naar wat anderen ervan zullen vinden en hoe het zijn eigen weg zal vinden in de grote groep mensen die ermee in contact zullen komen.

Pol: Op die manier zitten wij momenteel dus eigenlijk zelf opnieuw in een soort prenatale ontwikkeling. Het is uitkijken naar de bevalling eind augustus! (lacht)

Ben je docent en wens je Psychologie van de levensloop te introduceren in je lessen als studieboek? Of wens je zelf dieper in ontwikkelingspsychologie te duiken? Je vindt het boek op onze webshop!